Beoordeling van de masterscriptie

Beoordeling van de masterscriptie Rechtsgeleerdheid, Notarieel recht en Ondernemingsrecht aan de Zuidas

Een masterscriptie wordt aan de hand van tien criteria beoordeeld door zowel de scriptiebegeleider als de tweede beoordelaar.

 1.  Probleemstelling
 2.  Methode
 3.  Structuur
 4.  Argumentatie
 5.  Academisch niveau
 6.  Creatief gehalte
 7.  Gebruik van bronnen
 8.  Taalgebruik
 9.  Vormgeving
 10. Zelfstandigheid

Hieronder volgt een toelichting op deze punten.


1. Probleemstelling
De probleemstelling is duidelijk en helder geformuleerd in de vorm van een vraag. De probleemstelling is voldoende afgebakend. De conclusies van de scriptie vormen een antwoord op de probleemstelling.

< naar boven 


2. Methode
In de scriptie wordt duidelijk gemaakt welke rechtswetenschappelijke methode wordt gehanteerd en waarom. De methode kan juridisch of rechtsvergelijkend van aard zijn, maar ook bijvoorbeeld rechtsfilosofisch, rechtshistorisch, rechtssociologisch, etc. Ook kan er gekozen worden voor een combinatie van verschillende methoden. In alle gevallen dient de keuze te worden verantwoord.

< naar boven


3. Structuur
De hoofdtekst van de scriptie bestaat uit drie onderdelen: de inleiding, de hoofdtekst zelf (ingedeeld in hoofdstukken) en de conclusie.

In de inleiding wordt het onderwerp ingeleid en de probleemstelling geformuleerd. Ook geeft de auteur een verantwoording van de gevolgde methode en een overzicht van wat er in de rest van de tekst komen gaat.

In de hoofdtekst vervolgens, wordt een analyse gepresenteerd van de in de inleiding geïntroduceerde probleemstelling. De hoofdtekst is op een logische wijze ingedeeld in hoofdstukken.

In de conclusie komt alles bij elkaar en wordt een antwoord geformuleerd op de oorspronkelijke probleemstelling. In de conclusie wordt de redenering die in de hoofdtekst uiteengezet wordt, samengevat en worden geen nieuwe gegevens meer geïntroduceerd.

In alle onderdelen van de scriptie worden hoofd- en bijzaken helder van elkaar onderscheiden.

< naar boven


4. Argumentatie
De scriptie bevat een redenering die logisch, consistent en coherent is. Conclusies volgen logisch uit de voorafgaande tekst, zonder gedachtesprongen en tegenstrijdigheden. Het spreekt voor zich dat de scriptie geen inhoudelijke onjuistheden bevat.

< naar boven


5. Academisch niveau
De scriptie is van voldoende wetenschappelijk niveau. Dit blijkt onder meer uit de grondigheid van de verwerking van juridische bronnen, uit de mate van reflectie en uit de mate waarin het onderzoek aansluiting vindt bij (actuele) rechtswetenschappelijke discussies.

< naar boven


6. Creatief gehalte
Een universitaire scriptie blijft niet beperkt tot een weergave van literatuur en jurisprudentie, maar voegt daar iets aan toe. De student moet een herkenbare eigen inbreng hebben. Deze eigen inbreng kan tot uiting komen in een eigen standpunt, maar ook in de keuze van de literatuur of jurisprudentie, of in de (her-)ordening daarvan. Ook kan een eigen inbreng zich uiten in een kritische beschouwing van de literatuur en rechtspraak, een zelfstandige positiekeuze, het leggen van verbanden of het aangeven van tegenstrijdigheden.

< naar boven


7. Gebruik van bronnen
In de scriptie demonstreert de student in staat te zijn de relevante literatuur, wetgeving en rechtspraak over een onderwerp op te sporen, op waarde te schatten en te ordenen. Vooral dat laatste is van essentieel belang. Het gaat er om dat de student laat zien dat hij kritisch is in het verwerken van de literatuur.

Het overschrijven van letterlijke zinnen uit andere publicaties zonder de bron erbij te vermelden, is uit den boze. Dit wordt beschouwd als plagiaat, ook als het publicaties betreft uit het zogenaamde publieke domein zoals kamerstukken of beleidsnota’s van de overheid.

Citaten, verwijzingen en de litera­tuurlijst worden weergegeven volgens de aanwijzingen in de Leidraad voor juridische auteurs. Het kan raadzaam zijn rechtspraak in een afzonderlijke lijst op te nemen.

Internetpagina’s waarvan geciteerd wordt, moeten worden geprint, omdat ze in de loop van de tijd van inhoud (kunnen) veranderen. De geprinte internetpagina’s moeten kunnen worden ingeleverd als de scriptiebegeleider erom vraagt.

< naar boven 


8. Taalgebruik
De lezersgroep van de scriptie is een (hoger opgeleid) geïnteresseerd en juridisch publiek. Het spreekt voor zich dat de scriptie in correcte taal moet zijn geschreven (grammatica en spelling).

Een goede scriptie is helder en bevat geen onnodig lange uitweidingen. De redenering is ‘to the point’ en het taalgebruik is niet onnodig deftig of moeilijk of, omgekeerd, niet te informeel of populair.

< naar boven


9. Vormgeving
Naast de inleiding, de hoofdtekst en de conclusie bestaat de scriptie uit een titelpagina, een inhoudsopgave, een voorwoord en (helemaal achterin) een literatuurlijst.

De titelpagina bevat naast titelgegevens, de naam van de auteur, datum, faculteit, afstudeerrichting en de naam/namen van de scriptiebegeleider(s). Een goede titel is meestal kort en pakkend. Iedereen moet uit de titel en/of ondertitel kunnen opmaken waar de scriptie over gaat.

De indeling van de scriptie is overzichtelijk en consistent. Kopjes zijn duidelijk. De inhoudsopgave, de paginanummering en de voetnoten­num­mering kloppen.

Een scriptie van 12 ec omvat tussen de 12.000 en 20.000 woorden (exclusief bijlagen) en een scriptie van 18 ec tussen de 18.000 en 26.000 woorden (exclusief bijlagen). Indien de aard van de scriptie dit toelaat, kan van deze norm worden afgeweken.

De tekst is opgemaakt in een gangbaar lettertype; Times New Roman 11 of 12 pt, Arial 10 of 11 pt of vergelijkbaar en met een regelafstand van 1,15.

< naar boven


10. Zelfstandigheid
De student demonstreert in het scriptieonderzoek in staat te zijn zelfstandig te werken. Het criterium van zelfstandige werkzaamheid is echter relatief. Dat wil zeggen: zelfstandigheid voor zover dat in alle redelijkheid van een masterstudent verwacht mag worden. Wanneer de student het scriptieonderzoek heel zelfstandig heeft uitgevoerd, kan dit een hoger cijfer opleveren.

< naar boven 

© Copyright Vrije Universiteit Amsterdam
Column van de decaan
Poll
Ga jij voortaan op zondag studeren op de VU?

Ja! Ik kan me op de VU beter concentreren dan thuis.
Nee, de zondagsrust is belangrijk voor mij.
Nee, dan lig ik brak in mijn bed.
Goh, kan dat dan?

spamfuik@vu.nl